to main page in English

ON COURSE WITH NATURE ©

Home | Site Map | QandA | 8fold Path | Excerpts | Advayavadananda | Tao Te Tjing | Lezingen

BOEDDHA'S PREEK TE NAGARA

ZIJNDE HET ACHTSTE HOOFDSTUK VAN
HET LICHT VAN AZIË
Sir Edwin Arnold (1832-1904)
DOOR SIR EDWIN ARNOLD (1832-1904)
VERTAALD UIT HET ENGELS DOOR JOHN WILLEMSENS.
(In boekvorm uitgegeven onder ISBN 90-801619-2-6)

01 02 03 04 05 06 07 08 09 10
Geraadpleegde literatuur (ingekort).

BOS radio interview 3 oktober 2009.

I N L E I D I N G

Wat ik ten behoeve van deze uitgave de naam Boeddha's preek te Nagara heb meegegeven, is, zoals vermeld in de titel, het achste (en tevens laatste) hoofdstuk van Het Licht van Azië, door Sir Edwin Arnold. Arnold werd in 1832 in het graafschap Kent geboren en studeerde af in de letteren te Oxford in 1856. Na enkele jaren in het onderwijs in Engeland en als hoofd van een Engelse school te Poona in India, trad hij in 1860 als journalist in dienst van de Daily Telegraph, waar hij het na verloop van tijd tot hoofdredacteur bracht van deze invloedrijke Londense krant.

Arnold, inmiddels ook een dichter van naam, gaf zijn beroemde epos over het leven en de leer van de Boeddha Siddharta Gautama uit in 1879. Hij had onder andere Sanskriet geleerd in India en zijn werk is gebaseerd op de Lalitavistara, een legendarisch Boeddhaverhaal in het Sanskriet vermoedelijk uit de 3de eeuw na Chr. The Light of Asia werd een enorm succes en zes jaar later moest het boek reeds voor de twee en twintigste maal herdrukt worden. Die oorspronkelijke Engelse versie wordt nog steeds regelmatig heruitgegeven en Christmas Humphreys noemde het terecht "verreweg de grootste best-seller van alle westerse boeddhistische boeken". Het is de meeste talen vertaald en de eerste Nederlandse vertaling, die van Dr. H.U. Meyboom, verscheen in 1881. Sir Edwin Arnold werd in het jaar 1888 geridderd door koningin Victoria.

Hoewel Arnold een gedreven politiek-maatschappelijke rol speelde in het koloniale Engeland, en nog veel meer moois schreef tot zijn dood in 1904, zal hij het meest herinnerd worden om de weldadige invloed van zijn The Light of Asia op zijn tijdgenoten. De tweede helft van de 19de eeuw was, in Europa en Amerika, een tijdperk van onderzoek en verandering van de heersende sociale, culturele en religieuze waarden. Het is de tijd van Darwin, Marx en Nietzsche, en de opkomst van het naturalisme en het socialisme, maar ook die van het occultisme en het oriëntalisme en, mede door Edwin Arnolds meesterwerk, de bloeiperiode van de theosofie van Blavatsky, Olcott en Besant. In Nederland schrijft Frederik van Eeden De kleine Johannes.

Het door mij opnieuw vertaalde achtste hoofdstuk beslaat ruwweg een achste deel van Het Licht van Azië. In tegenstelling tot de vertaling van Dr. Meyboom en die van Ir. J.A. Blok uit 1949, heb ik mij niet gewaagd aan het doen rijmen van de verzen. Mijn vertaling is eerder filologisch te noemen en heeft als doel een zo nauwkeurig mogelijke weergave te geven van de oorspronkelijke tekst. Achter in dit boek zal de lezer vinden een woordenlijst [hier niet opgenomen], een literatuuropgave [hieronder ingekort opgenomen] en, ter vergelijking met de romantische uitweidingen van Arnold, een meer eigentijdse visie op het boeddhisme van mijn hand [zie uitgebreide versie hier].

John Willemsens.

© 1994 1996 Anne Y. Willemsens-Pols, Amsterdam.

naar begin naar sitemap

BOEDDHA'S PREEK TE NAGARA

[01] Aan de oevers van de snelle Kohâna
Spreidt zich bij Nagara een brede weide uit;
Vanaf de heiligdommen van Benares is het vijf dagen
Met de ossewagen richting het noordoosten.
De witte toppen van de Himalaya kijken neer
Naar deze plek 't jaar lang blij met bloemen omringd
Door bosjes groen door de beek haar helder water.
Zacht zijn haar hellingen, koel haar zoete schaduw,
En heilig vandaag nog de sfeer die ze ademt:
De zuchten van de avond gesust door de wirwar
Van kreupelhout en hoge stapels gehouwen rode steen
Geklieft door stam en wortel van de wurgvijg,
Alles in een wuivend kleed van bla'ren en gras.
De stille slang glinstert voort van vergaan
Schellakwerk en vervallen cederbalken om zich
Daar op te rollen op de verweerde vloertegels;
De hagedis stopt en schiet weer over gekleurde
Vloeren waar ooit koningen op en neer liepen;
De grijze vos werpt veilig onder de gebroken tronen;
Enkel de bergtoppen en het voortstromend water,
De glooiende velden en de zachte lucht, zijn
Onveranderd gebleven. Al het andere is vervlogen
Als elke schone vertoning in dit leven, want
Hier was het dat de stad van Soeddhodana stond,
De heuvel waar op een avond van goud en blauw,
Bij zonsonder de heer Boeddha zich erop toelegde
Aan zijn eigen schare de Wet te onderwijzen.
naar begin naar sitemap
[02] Voorwaar, u zal het in de heilige boeken lezen
Hoe, men hem opzoekend in dat heerlijk oord,
In die tijd een tuin met hangende loopbruggen,
Fonteinen en vijvers en met rozen bedekte wallen,
Aan een kant omringd door vrolijke paviljoens,
En het aangezicht van statige paleisgevels,
De Meester daar zat, verheven en aanbeden,
De menigte het scheiden van zijn lippen afwachtend
Om de wijsheid die ons Azië zachtaardig maakte,
Als vierduizend lakh zielen vandaag u tonen.
Hij zat daar aan des Konings rechterzijde
En rondom waren opgesteld de Shâkya edellieden
Ânanda en Devadatta en de gehele hofhouding,
'Wijl daarachter stonden Sâripoetta en Moggallâna,
De leiders der vreedzame broeders in het geel,
Het geheel een gezelschap mooi om te zien.
Tussen zijn knieën glimlacht Râhoela de vragende
Kinderogen gericht op het indrukwekkend gelaat,
En aan zijn voeten zit de lieflijke Yasodharâ,
Haar harteleed verdwenen, die schone liefde
Voorziend die niet op vluchtige zinnen rust,
Dat leven dat geen leeftijd kent, dat gezegende
Laatste sterven wanneer de Dood gestorven is,
Zijn overwinning en de hare, en het waarom
Zij haar hand op zijn handen rust en zijn geel
Gewaad om haar zilveren schouderkleed slaat,
Als de van de hele wereld het naast aan hem
Op wiens woord de Drie Werelden wachten.
naar begin naar sitemap
[03] Ik kan u niets vertellen over de prachtige leer
Als zij uit zijn mond kwam: Ik ben een latere
Schrijver die de Meester en zijn mensenliefde mint,
En zijn verhaal vertel, wetend dat hij wijs was,
Maar enkel kan verhalen wat in de teksten staat.
En de tijd vervaagde 't schrift en d'oude betekenis,
Die ooit nieuw en krachtig was en iedereen beroerde.
Toch weet ik een weinig van die grote preek,
Die de Boeddha op die zachte Indiase avond sprak;
Zo ook weet ik het geschreven dat het gehoor
Meer, lakhs meer, crores meer, was dan zichtbaar,
Want alle Deva's en Doden er samenstroomden,
Tot de Hemelen zich leegden tot de zevende
En de allerdonkerste Hellen hun tralies openden;
Dat het daglicht draalde tot voorbij z'n tijd
Met z'n rozengloed over de neerkijkende toppen,
Zodat het leek of de Nacht luisterde in het dal
En de Middag in de bergen; ja, en ze schrijven
Dat de Avond tussen hen in stond als een hemelse
Maagd door de liefde bevangen en in vervoering,
De zacht gekrulde wolken haar vlechten, 't beslag
Van sterren de parels en diamanten van haar kroon,
De maan haar voorhoofdhanger, het vallend duister
Haar geweven kleed. Het was haar ingehouden adem
Die in geparfumeerde zuchten over de velden kwam
Toen onze Heer daar leerde, en 'wijl hij leerde
Zij die luisterden waren zij vreemdeling of slaaf,
Van hoge of lage kaste, van Arisch bloed of niet,
of Mleccha, of mensen uit de bossen, zij hoorden
De taal die hun gelijken spraken. Er staat geschreven
Dat behalve groot en klein aan de oevers verzameld
Zelf de vogels en beesten en de kruipende wezens
De Boeddha's grote alomvattende liefde begrepen
En de belofte aanvaardden van zijn woorden vol meelij
Zodat, hun leven gevangen in de gedaante van 'n aap,
'n Tijger of 'n hert, 'n ruige beer, jakhals of wolf,
'n Aasetende wouw, parelgrijze duif, versierde pauw,
'n Plompe pad, gevlekte slang, hagedis of vleermuis,
Ja, zelfs van de vis die golfjes in 't water waaiert,
Zij gedwee de zoom van hun broederschap met de
Mensen die minder onschuldig zijn dan zij raakten,
En wisten in stille vreugde hun boeien gebroken,
Toen de Boeddha 't volgende voor de Koning zegde:
naar begin naar sitemap
[04] Om Amitâya! Meet niet met woorden 't Onmeetbare;
Zink niet de draad uwer gedachten in 't Onpeilbare;
Wie vraagt vergist zich, wie antwoordt ook.
Zeg liever niets!

De Schriften leren dat er eerst Duister was,
En Brahmâ, eenzaam nadenkend in die Nacht:
Maar zoek niet Brahmâ en den beginne daar!
Hem noch enig licht

Zal geen sterveling met zijn ogen zien,
En geen sterveling met zijn denken vinden;
Sluier na sluier zal worden weggelicht,
Maar erachter moet er sluier op sluier blijven.

De sterren tasten af maar vragen niet. 't Is genoeg
Dat leven en dood en geluk en ongeluk er zijn,
En oorzaak en gevolg, en het verloop der tijd,
En de onafgebroken tij van het bestaan,

Dat steeds veranderend voortgaat als een stroom
Van aan elkaar verbonden golfjes, traag of snel,
Hetzelfde en toch weer niet, vanaf de verre bron
Tot waar zijn wat'ren in de zeeën vloeien,

En deze omhoogdampend naar de Zon de
Verloren golfjes in de wolkenvachten teruggeven,
Om langs de heuvels neer te sijpelen en zonder
Rust of vrede daarna weer voort te glijden.

Het is genoeg te weten dat het schimmen zijn
De Hemelen 'n Aarden, de Werelden en de veranderingen
Die deze veranderen, een machtig, wentelend wiel
Van strijd en spanning dat niemand remmen kan.

Bid dus niet! Het Duister zal niet opklaren!
Vraag niets van de Stilte want zij kan niet spreken!
Kwel niet uw droeve geest met vrome moeites!
Ach! Broeders en Zusters! Verzoek niets

Van de machteloze goden met offers en gezang,
Of omkoping met bloed of het bieden van lekkernijen;
In u zelven moet u de verlossing zoeken;
Elkeen bouwt zijn eigen kerker.

Elkeen heeft gezag gelijk de allerhoogsten,
Want bij de Machten boven, rond ons of beneden,
Als bij alle mensen en wat dan ook dat leeft,
Is het de daad die geluk en ongeluk smeedt.

Wat was, bepaalt wat zal zijn, of is, slechter,
Beter, de eerste de laatste en de laatste eerste:
De Engelen in de Blijde Hemelen oogsten
De vruchten van een heilig verleden.

De duivels in de onderwerelden verslijten
Daden die kwalijk waren in een ander tijdperk:
Niets duurt: schone deugden vergaan en de meest
Verdorven zonden worden gezuiverd mettertijd.

Wie zwoegde als slaaf keert terug misschien als
Prins door zijn zachte waardigheid en verdiensten;
Wie nu als Koning heerst kan later op aarde dolen
In lompen door dingen gedaan of nagelaten.

Hoger dan Indra's kunt u uw lot doen stijgen,
Of dieper doen dalen dan dat van een worm of mug;
De uitkomst van vele myriaden levens is dit,
De uitkomst van myriaden levens dat.

Maar zolang dat onzichtbare wiel draait,
Kan er geen rust of vrede, nog wijkplaats zijn;
Wie stijgt kan vallen, wie valt zal stijgen;
De spaken draaien zonder ooit te stoppen.

naar begin naar sitemap
[05] Als u aan 't wiel der verandering geklonken ware
En de ketenen niet zou breken kunnen,
Dan zou het hart der oneindigheid een vloek zijn,
De ziel der dingen een wreed lijden.

Maar u ketent niets! De ziel der dingen is zoet;
Het hart van al het zijnde is hemelse rust.
De wil is sterker dan het ongeluk,
Want wat goed was, gaat naar beter en naar best.

Ik, Boeddha, die met al mijn broeders' tranen weende,
Wiens hart brak onder 't verdriet van de hele wereld,
Lach nu en ben gelukkig, omdat er bevrijding is.
U, die lijdt, moet weten

Dat u door uzelf lijdt; niemand dwingt u,
Niemand houdt u voor dat u moet leven en sterven
Meedraaiend op 't wiel, kussend haar spaken van pijn,
Haar velg van tranen, haar naaf van leegte.

Zie, ik zal u de Waarheid tonen!
Dieper dan de hel en hoger dan de hemel,
Voorbij de verste sterren,
Verder dan waar Brahmâ zetelt,

Voor het begin en zonder einde,
Eeuwig als de ruimte en zekerder dan zeker,
Is er een goddelijke Kracht die beweegt naar goed;
Enkel haar wetten staan vast.

Dit is haar streling op de rozebloesem;
De ijver van haar hand vormde het lotusblad.
In de donkere aarde en de stilte van het zaad,
Weeft zij Lentes kleed.

Dat is haar beeltenis in die grootse wolken,
Haar smaragden zijn deze op de pauwenstaart;
De sterren zijn haar troon,
Bliksem, wind en regen haar slaven.

Uit de duisternis smeedde zij het mensenhart,
Uit saaie eierschalen de stralende fazantenhals.
Immer werkzaam, brengt zij tot schoonheid
Alle verleden toorn en puin.

't Grauwe ei in 't zonnevogelnest is haar schat,
De zeskant bijencel haar honingpot;
De mier kent haar wegen.
De witte duif weet die goed.

Zij spreidt des arends vleugels voor de vlucht,
Wanneer hij met z'n prooi nestwaarts keert;
Zij stuurt de wolvin terug naar haar welpen;
Voor onbeminde wezens vindt zij voer en vriend.

Niets stoort noch remt haar in haar werk;
Alles mint zij:
Zij schept de zoete melk in de moederborst,
En het blanke vocht waarmee de jonge adder bijt.

Onder de onzichtbare hemeltent speelt zij
De orderlijke maat der marcherende planeten.
In de diepten van de aarde verbergt zij goud,
Sardonyx, saffieren en lazuursteen.

Verstopt in het groen van het bosveld,
Brengt zij steeds nieuwe geheimen voort;
Vreemde zaailingen aan de cedervoet kwekend,
Verzint zij bladeren, halmen en bloeisels.

Zij doodt en redt door niets bewogen
Dan de uitwerking van het noodlot;
Haar weefgaren zijn de Liefde en het Leven,
Dood en Leed de spoelen van haar weefgetouw.

Makend en ongedaan makend herstelt zij alles;
Wat zij voortbrengt is beter dan wat was. Langzaam
Ontvouwt zich tussen haar bedachtzame handen
Het prachtig patroon dat zij voor ogen heeft.

Dit is haar werk in de dingen die u ziet;
De onzichtbare dingen zijn veel meer:
's Mensen hart en geest verbindt de grote Wet,
En het denken van elk volk met z'n doen en laten.

Onzichtbaar helpt zij u met trouwe hand;
Onhoorbaar spreekt zij luider dan de storm.
Medelijden en liefde zijn van de mens,
Omdat zij lang blinde stof tot vorm smeedde.

Zij wil door niemand geminacht worden.
Wie haar tart verliest, wie haar dient zal krijgen.
De verborgen deugd loont zij met gelukzaligheid,
Het verborgen kwaad met onrust en smart.

Overal wordt alles door haar opgemerkt.
Wie goed doet wordt door haar beloond;
Voor elke wandaad eist zij 'n passende vergelding,
Hoe lang Dharma ook moge dralen.

Zij kent toorn noch vergiffenis;
Precies meet haar maat en weegt haar schaal.
De tijd speelt geen enkele rol;
Haar oordeel zal morgen vallen, of na vele dagen.

Zo doodt de dolk ook de dader,
Verliest de valse rechter zijn eigen pleiter,
Doemt de leugen de tong die haar uitsprak,
Stelen insluiper en rover om te boeten.

Aldus is de Wet die voert naar gerechtigheid,
En die niemand keren noch stoppen kan;
Haar hart is de Liefde, haar laatste doel
Zoete Vrede en Volmaking. Gehoorzaam haar!

naar begin naar sitemap
[06] Wat de Schriften zeggen is juist, Broeders!
Ieders leven is de uitkomst van z'n voorgaand leven:
Verleden misdaden brengen verdriet en ongeluk voort,
Verleden recht kweekt gelukzaligheid.

Dat wat u zaait, dat oogst u. Zie die velden daar!
De sesam was sesam, het koren was koren.
De Stilte en het Duister wisten dat!
Aldus wordt de mens zijn lot geboren.

Hij komt als oogster van wat hij gezaaid heeft,
Sesam, koren, wat hij uitwierp in 't vorig leven;
En ook van al het onkruid en de vergiften,
Die hem en de gepijnigde aarde verderven.

Maar als hij behoorlijk werkt, en deze uitbant,
En gezonde zaailingen plant waar ze groeien willen,
Dan zal de grond vruchtbaar en mooi en gezond zijn,
En rijk de oogst die komen zal;

Als wie leeft, lerend waar 't leed vandaan komt,
Die geduldig draagt en te vereffenen tracht
Met standvaste Liefde en Waarheid het meeste
Van die schuld veroorzaakt door d'oude zonden;

Als hij wakend dat hij niemand te kort doet,
De leugens en zelfzucht uit zijn bloed volkomen
Zuivert en alles zachtmoedig ondergaand grieven
Met niets dan gratie en goedheid beantwoordt;

Als hij elke dag vol genade blijft, en vroom,
En eerlijk, vriendelijk en trouw, en de begeerte
Uitrukt van waar zij zich vasthoudt met bloedige
Wortels totdat de levensdorst verdwenen is:

Zodat wanneer hij sterft hij als optelsom nalaat
Een sluitende levensrekening waarvan het kwade
Vernietigd en het goede vlug en overal machtig is,
En vruchten eruit voortvloeien,

Zo een hoeft niet te leven wat u leven noemt;
Wat in hem begon toen hij aanving is volbracht:
Hij heeft doorwrocht voldaan aan de bedoeling
Van wat hem tot Mens maakte.

Nimmer zal hem hartstocht kwellen, noch zonden
Hem bevlekken, noch de smart van aardse vreugde
En leed zijn veilige eeuwige vrede binnendringen,
Noch zal hij opnieuw sterven en geboren worden.

Hij treedt Nirvâna in. Hij is één met het Leven
Doch leeft niet. Hij is gezegend en is niet meer.
Om, Mani Padme, Hum! De dauwdruppel glijdt
De glinsterende zee in!

naar begin naar sitemap
[07] Dit is de leer van Karma. Luister!
Pas wanneer de laatste zonderesten vereffend zijn,
Pas wanneer het leven uitsterft als een witte vlam
Die op is, zal de dood ermee tezamen sterven.

Zeg niet: Ik ben, ik was, of ik zal zijn.
Denk niet dat je van vleselijk huis naar huis gaat,
Als reizigers die eerst nog weten en dan vergeten,
Dat zij een slecht of een goed onderkomen hadden.

Als iets nieuws verschijnt in het Heelal die
Optelsom die de allerlaatste van die levens is.
Zij bouwt haar woning zoals de rups zijde spint
En erin verblijft. Zij neemt vorm en werking aan

Zoals het uitgekomen slangenei haar schubben en
Giftanden aannam; zoals de geveerde rietzaadjes
Over rots en leem en zand vliegen, totdat zij hun
Moeras vinden om zich te vermenigvuldigen.

En zij verschijnt om te helpen of te schaden.
Wanneer de Dood een verbitterd moordenaar velt,
Zal rood het ongezuiverde deel van hem ronddolen
Op de winden van plaag en verderf.

Maar wanneer er zachtaardige en rechtvaardige
Sterven, dan waaien er zoete winden; de wereld
Wordt rijker, alsof een woestijnbron wegzakt om
Daarna zuiverder en meer stralend op te sprankelen.

Aldus levert verdienste een gelukkigere tijd die
Tekortkomingen voor zijn voleinding doen stilstaan;
Toch moet deze Wet der Liefde over alles heersen
Voor het einde der kalpa's daar is.

Wat belet het? Broeders, de Duisternis belet het!
Die baart de Onwetendheid waardoor deze vertoningen
U echt lijken en naar 't bezit ervan gaat dorsten,
En ze hebbende, u aan lusten hecht die leed brengen.

U, die de Middenweg betreden gaat, wier baan
Heldere Rede tekent en zachte Rust effent;
U, die de hoge weg tot Nirvanâ gaat nemen,
Luister naar de Vier Edele Waarheden.

De Eerste is die van het lijden. Vergis u niet,
Het leven dat u koestert is 'n lange doodstrijd:
Enkel de pijnen zijn blijvend; de vreugden zijn
Gelijk vogels die opstijgen en wegvliegen.

De pijn der geboorte, de pijn der weerloze jaren,
De pijn der jeugddriften en des mens' volgroeiing,
De pijn der kille grijze jaren en de benauwende dood,
Deze vullen uw armzalige levensloop.

Zoet is d'innige Liefde doch brandstapelvlammen
Gaan aan 't zachte borstekussen en de klevende lippen
Likken; fier is de krijgshaftige Macht doch gieren
Zullen aan de knokkels van vorst en leider pikken.

d' Aarde is prachtig, maar alle dieren in 't woud,
Hongerend naar leven, beramen elkaars slachting;
De hemelen van saffier staan geen druppel af
Wanneer de mens zijn honger uitschreeuwt.

Vraag de zieken en de rouwenden, en hij die
Eenzaam en hopeloos op zijn stok voortstrompelt,
Of zij van het leven houden. Hun antwoord is
Dat 't pasgeboren kind niet zonder rede weent.

De Tweede is die van hoe het leed ontstaat.
Welk leed komt uit zichzelf en niet door Begeerte?
De zintuigen en wat zij waarnemen mengen zich
En ontsteken de snelle vonk van onze Hartstocht.

Zo ontvlamt Trishnâ, de zucht en dorst naar dingen.
Gretig hecht u aan schimmen en gaat u dromen minnen;
In het midden van alles plant u een verzonnen Ik
En daaromheen bouwt een denkbeeldige wereld.

Blind voor d'hoogten erachter, doof voor de klank
Der zoete melodieën van ver voorbij Indra's hemel,
Beanwoordt u niet de roep van het ware leven
Dat bewaard wordt voor hem die het valse aflegt.

Zo groeien twisten en lusten tot oorlog op aarde,
Treuren d'arme bedrogen harten, vloeien zoute tranen;
Zo wassen de driften, de afgunst, de toorn en haat;
Zo zitten de jaren de bloederige jaren achterna

Op woeste rode voeten. Zo verspreidt zich birâkruid
Met z'n gemene wortel en giftig bloeisel waar graan
Groeien moest; het goede zaad vindt met moeite
Grond waar te vallen en te ontspruiten.

En, bedwelmd door giftig vocht, vertrekt de ziel,
En, woest met drankzucht, keert Karma terug;
Zinnenziek begint het opgeblazen Ik opnieuw,
Nieuwe leugens te verwerven.

De Derde is die van des lijdens ophouden: 't is
De rust om eigenliefde en levensdorst te overwinnen,
Om de diepe hartstocht uit de borst te scheuren,
Om de innerlijke strijd tot rust te brengen;

Dat liefde het Eeuwig Schoon te omhelzen is,
Roem de alleenheerser over onszelf te zijn, vreugde
Ver voorbij de goden te leven, dat ongetelde weelde
De duurzame schatten te verzamelen is van volmaakt

Betoonde diensten, met liefde vervulde plichten,
Van minzaam spreken en smetteloze dagen;
Deze schatten vergaan niet gedurend ons leven,
Noch worden zij minder met de dood.

Dan stopt 't leed want leven en dood vergingen;
Geen lamp zal doorbranden wanneer d'olie op is.
De oude trieste rekening is vereffend, de nieuwe
Is schoon; aldus verkrijgt de mens tevredenheid.

naar begin naar sitemap
[08] De Vierde is die van de Weg; wijd open staat,
Makkelijk en dichtbij, het Edele Achtvoudige Pad,
Eenvoudig voor elkeen die het betreden wil;
Recht naar vrede en toevlucht voert het. Zie!

Verscheidene sporen leiden tot die pieken daar
Waar rond de sneeuwen de gouden wolken krullen;
Langs steile en zachte helling gaat de klimmer
Tot waar de andere wereld aanvangt.

De sterken durven misschien het rotspad aan
Dat snel stijgend gevaarlijk de bergwand bestormt;
De zwakke gaat zich langzaam rond de berg winden,
Van rand tot rand met vele plekken om te rusten.

Zo ook is het Achtvoudige Pad naar vrede;
Over de lagere of de hogere hoogten voert het.
De sterke ziel zal zich snellen, de zwakke draalt.
Allen gaan de zonovergoten sneeuwen bereiken.

De Eerste Goede Trap is het Juiste Geloof.
Leef in vrees van Dharma, alle zonden mijdend;
In acht van Karma, dat 's mensen lot bepaalt;
Wees over uw zinnen heer.

De Tweede Trap is de Juiste Gezindheid. Toon
Goede wil jegens alles wat leeft; laat hebzucht,
Toorn en onvriendelijkheid in u sterven. Dat uw
Levens weze als zachte briesen die voorbijgaan.

De Derde is het Juiste Spreken. Bewaak uw lippen
'Of zij de paleisdeuren waren, de koning binnen;
Bedaard en redelijk en hoffelijk weze alle woorden
Die ons daarvandaan bereiken.

De Vierde is het Juiste Gedrag. Dat elke daad
Een fout herstelle of 'n verdienste groter make:
Dat de liefde in uw goede daden te herkennen weze
Als de zilverdraad door kristallen kralen heen.

Vier hogere wegen zijn er nog, te betreden enkel
Door voeten die al het aardse hebben achtergelaten:
Juiste Zuiverheid, Juiste Denken, Juiste Eenzaamheid
En Juiste Vervoering. Wil niet vliegen naar de Zon

Die ziel wiens wieken onvoldoende gevederd zijn!
Zoet is de lagere lucht, veilig en vertrouwd de hoogten
Dicht bij huis. Slechts sterke vleugels zijn in staat
Het nest te verlaten dat elk tot de zijne maakte.

Dierbaar, weet ik, is de liefde van Vrouw en Kind;
Aangenaam de vrienden en vermaken van uw leven,
Vruchtbaar van des goede levens zachte gaven;
Diepgeworteld, hoewel vals, de angsten.

Leid, u die zulks moeten, levens 'als deze leven
En maak gouden treden van uw zwakheden;
Stijg door 'dagelijkse omgang met die dromen
Naar schonere waarheden toe.

Zo zult u zuiverder hoogten bereiken waar de klim
Makkelijker vordert en de zondenlast lichter weegt,
En sterker de wil wordt om het Pad te betreden,
Om de boeien der zinnen te breken.

Zulk een begin heeft tot de Eerste Graad gebracht,
Het kennen van de Waarheden, het Achtvoudige Pad;
Hij die hier staat zal met veel of weinig schreden
Beslist Nirvâ's gelukzalig oord bereiken.

Hij die de Tweede Graad bereikt heeft en bevrijd is
Van twijfel, zelfbedrog en innerlijke strijd, heer is
Over al z'n driften, van priester en schrift verlost,
Deze zal nog één enkel leven doorleven.

Daarna komt de Derde Graad: hier is de grootste
Geest gezuiverd, gelouterd en ver gestegen om in
Volmaakte vrede alle levende wezens te beminnen.
Z'n leven is tot einde, 's levens kerker afgebroken.

Maar er zijn ook die, zichtbaar en in dit leven,
Tot het allerhoogste doel doorstreven:
De Vierde Graad van Heiligheid, van de Boeddha
En zij allen van onbevlekte ziel.

Zie, als woeste vijanden geveld door een krijger
Liggen in het stof tien zonden langs de weg:
Eigenliefde, vals geloof en twijfel zijn er drie,
En nog twee begeerte en haat.

Wie die vijf zonden verslagen heeft,
Heeft de Derde Graad van de Vier bereikt.
Resten nog de zucht naar aards bestaan en de hemel,
Zelfroem, onwetendheid en de eigendunk.

Als iemand op gindse sneeuwtop staat
Met niets boven hem dan 't oneindig blauw,
Aldus heeft Nirvâ's grens bereikt
Hij die deze zonden overwonnen heeft.

naar begin naar sitemap
[09] Hem benijden de Goden vanaf hun lag're troon;
Hem zou niet deren het verval der Drie Werelden;
Alle leven is door hem geleefd, alle dood gestorven;
Geen nieuw huis zal Karma voor hem bouwen.

Niets zoekend, wint hij alles;
Zichzelf verliezend, wordt de wereld Ik;
Wie leert dat Nirvâna te vergaan is moet weten,
Dat hij niet de waarheid spreekt.

En aan wie leert dat Nirvâna te leven is,
Zeg hem dat hij zich vergist want hij weet niet
Welk licht er straalt voorbij zijn gebroken lamp,
Noch van de zaligheid zonder tijd of leven.

Betreed het Pad! Daar ontspringen d'heilzame
Stromen die alle dorsten lessen! Daar bloeien d'eeuwige
Bloemen die de ganse weg met blijdschap bedekken!
Daar verdringen zich de vlugste en zoetste uren!

Kostbaarder is de Wet haar schat dan edelstenen;
Zoeter haar zoet dan de honingraat; haar vreugdes
De vreugdevolste van alle. Om naar haar te leven
Luister goed naar de Vijf Regels:

Dood niet, uit medelijden, en om het kleinste wezen
Niet te vellen op zijn stijgend pad.

Geef vrijelijk en ontvang, maar neem van niemand
Door hebzucht, geweld of list wat van hem is.

Duld geen valse getuigenis, laster of leugen;
De waarheid is de taal van 't innerlijk schoon.

Mijd drugs en drank die het verstand verkrachten;
'n Heldere geest, 'n rein lichaam behoeven geen somasap.

Raak niet de vrouw van uw naaste aan noch pleeg
Zonden van het vlees onwettig of onwaardig.

naar begin naar sitemap
[10] Deze woorden sprak de Meester over onze plichten
Aan vader, moeder, kind'ren, onze vrienden en gelijken.
Hij leerde aan degenen die de strakke zinnenboeien
Niet ineens verbreken kunnen, hun loop te wankel
Om 't hog're pad te betreden, het leven zo te richten
Dat liefdewerk en 't zetten der eerste vaste schreden
Op 't Edel Pad hun verd're dagen onschuldig vullen;
Te leven zuiver, eerbiedig, geduldig en meelijdend;
Alle wezens die leven als zij zelf leven minnend;
Want de tegenslag is de vrucht van 't kwaad gedaan
En welgelukken die van het goede in het verleden;
Dat hoeveel de huishouder zich van zichzelf kwijt
En de wereld helpt, bepaalt hoeveel gelukkiger hij de
Volgende trap bereikt, hoeveel beter z'n wezen wordt.

Dit zei hij 'als lang gele'en in 't Bamboebos te Râjagriha.
De Heer liep er op 'n ochtend en zag daar, pas gebaad,
De huishouder Singâla met 't ontblote hoofd buigend
Naar d'aarde, d'hemel en elk van de vier windstreken,
'Wijl hij rode en witte rijst uitwierp met beide handen.
"Waartoe buigt u aldus, Broeder?," vroeg de Boeddha.
"Het is hoe het moet, edele Heer!," was het antwoord,
"Onze vaderen leerden ons elke ochtend vóór 't werk,
Het boze uit de lucht, d'aarde en alle winden te weren."
"Strooi geen rijst," sprak de door de Wereld geroemde,
"Maar offer liefdevolle gedachten en daden aan allen;
Aan uw ouders als het Oosten, waar het licht verschijnt;
Uw leraars als 't Zuiden, waar rijke giften vandaan komen;
Uw vrouw en kinderen als 't Westen, waar liefde en rust
Het einde van elke dag kleuren; vrienden en verwanten,
En alle andere mensen als het Noorden; aan de meest
Ned'rige wezens hieronder en Heiligen en Engelen en
Zalige Doden hierboven; aldus wordt al 't kwade geweerd
En zullen de zes hoofdwindstreken behouden blijven."

Maar aan de zijnen, diegenen van het geel gewaad,
Diegenen die als gewekte arenden minachtend stijgen
Van des levens diepe dal en naar de Zon toe vliegen,
Aan dezen leerde hij de Tien Geboden, de Dasasil,
Dat de bedelmonnik de Drie Poorten kennen moet,
De Drievoudige Gedachte, de Zes Geesteshoudingen,
De Vijf Krachten, de Acht Bevrijdingen van onreinheid,
De Wijzen van Begrijpen, de Iddhi's, Oepekshâ, de Vijf
Meditaties, zoeter spijs dan ambroos voor 'n heilige ziel,
'De Jhâna's en de Drie Toevluchten meest voornaam.
Hij leerde ook de zijnen hoe zij wel wonen moesten;
Hoe te leven vrij van strikken van liefde en geld;
Wat te eten, drinken en dragen, drie simp'le lappen,
Geel, van aaneengeregen stof, met een schouder bloot,
Een gordel, een bedelnap en een waterzeef. Goed legde
Hij aldus de grote grondslagen van onze Sangha vast,
Die nobele Orde van het Geel Gewaad die tot heden
Er is om de wereld te helpen. Zo spraak hij de hele nacht
De Wet lerend, en op geen oog viel er slaap, want zij die
Luisterden verheugden zich met onvermoeibare vreugde.
Ook de koning stond op van zijn troon aan het einde,
En met de voeten bloot boog hij diep voor zijn zoon en
De zoom diens pij kussend zei hij: "Aanvaard mij, Zoon,
Als de laagste en de minste van uw gezelschap!" En
De zoete Yasodharâ, geheel gelukkig nu, riep hem toe:
"Geef aan Râhoela als erfenis, O Gezegende, de schat
Van het Koninkrijk van uw Woord." En aldus betraden
Deze drie het Pad.

Einde van
Boeddha's preek te Nagara.

naar begin naar sitemap


GERAADPLEEGDE LITERATUUR (INGEKORT)

Arnold, Edwin, The Light of Asia, or The Great Renunciation, being the Life and Teaching of Gautama, Prince of India and Founder of Buddhism, 1879, London 1885.

----, The Light of Asia, with notes by Mrs. I.L. Hauser, New York 1882.

----, Het Licht van Azië, leven en leer van Buddha, vertaald door H.U. Meyboom, 1881, Amsterdam 1918.

----, Het Licht van Azië, of de grote verzaking, leven en leer van Gautama, Indisch prins en stichter van het boeddhisme, vertaald door J.A. Blok, 1949, Deventer z.j.

Humphreys, Christmas, The Development of Buddhism in England, in A Buddhist Students' Manual, London 1956.

Rhys Davids, T.W., Het Buddhisme en zijn stichter, 1877, vertaald door J.P. van der Vegte, Amsterdam 1879.

Willemsens, Johan, Het vierde kenmerk van het bestaan, artikel in Bres nummer 151, Amsterdam 1991.

Wright, Brooks, Interpreter of Buddhism to the West: Sir Edwin Arnold, New York 1957.

Wyngate, Valérie, Some Phases in the Life of Buddha (taken from the Light of Asia by Sir Edwin Arnold), London 1915.

naar begin naar sitemap en gastenboek


TO BECOME A TRUE PART OF THE WHOLE.


to main page in English

Buddha figure at Amsterdam Zoo
Boeddhabeeld in Artis.

Advayavada Buddhism Infocenter,
Postbus 10502, 1001 EM Amsterdam, Nederland.
Telefoon en fax: +31-20-6269602,
email: info at advayavada.nl

DONATIES DONATIONS

In Nederland: Gelieve uw vrijwillige bijdrage te storten op rekening NL83ABNA0814472079 t.n.v. de Advayavada Stichting, te Amsterdam. Elk bedrag is welkom. Hartelijk dank!

From abroad: Please use the handy PayPal 'make a donation' link or instruct your bank to transfer your donation to the Advayavada Stichting, account NL83ABNA0814472079 at the ABN-AMRO Bank, Singel 548, 1017 AZ Amsterdam (BIC: ABNANL2A). All amounts welcome. Thank you very much!

naar begin naar sitemap

(last modified on 20 August 2014)


Home | Site Map | QandA | 8fold Path | Excerpts | Advayavadananda | Tao Te Tjing | Lezingen

search engine by freefind